nl
Balensilage in de Oostenrijkse streek Mühlviertel.
Optimale maaimoment
voor silage in ronde balen

Optimale maaimoment voor silage in ronde balen

Maaimomenten en hun effecten op de kwaliteit van het voer

 

De hoogste voerkwaliteit wordt bij de eerste groei behaald. Elk voorjaar is het een grote uitdaging om het optimale moment voor de eerste keer maaien vast te stellen. In ons artikel willen we laten zien hoe u dit moment het best bepaalt.

De G-1 F125 Kombi in actie in het veld.

Hoe stel ik het perfecte moment voor de eerste keer maaien vast?

Let bij de eerste keer maaien goed op het begin van de vegetatie. Dit kan worden berekend aan de hand van de som van de graslandtemperatuur. Vanaf een waarde van 200 beginnen de planten te groeien en kan het veld bewerkt worden. De berekening vindt plaats middels de opgetelde en gecorrigeerde temperatuurwaarden vanaf het begin van een jaar. Cijfers en waarden zijn te vinden op de websites van verschillende weerdiensten.

Vervolgens moeten de volgende kenmerken in acht worden genomen voor het optimale maaimoment:

  • Ong. 30-45 dagen na het begin van de vegetatiegroei (vroege/late grassen)

  • 25-40 cm groeihoogte

  • Begin van de aren/pluimen

 

De groeihoogte kan eenvoudig met een meetlint worden vastgesteld. Indien u genoeg ervaring heeft kan u dit ook eenvoudigweg met het oog vaststellen.

Het ideale moment voor het vervaardigen van silage is het begin van de aren/pluimen van het leidgras. Bij het ontluiken van de aren/pluimen komen de aren of de pluimen zijwaarts uit het jongste blad. Leidgras is het gras dat het vaakst in het bestand voorkomt. Afhankelijk van het soort gras is dit een iets andere tijd. Wanneer deze tijd is, hangt er grotendeels vanaf, of het leidgras tot de vroeg- of laatrijpende grassen behoort. Eveneens spelen de hoogteligging van het gebied en het type bodem (veen etc.) een grote rol. Het is daarbij belangrijk om altijd het grasbestand in de gaten te houden.

Wanneer de eerste keer maaien plaats moet vinden, hangt grotendeels af van het feit of de focus op de opbrengst (droge stof) of de kwaliteit (energie) ligt. In het voorjaar begint het gras met een maximale energieconcentratie te groeien. De generatieve scheutvorming is nu bijzonder uitgesproken, zodat er ook sprake kan zijn van een plotse energiedaling. De oogst mag dus niet te lang worden uitgesteld.

Hoe kan een hoogwaardig plantenbestand door vroeg gebruik worden ondersteund?

Een ander aspect van vroeg gebruik is, dat bij raaigrasbestanden de vertakking wordt bevorderd en zo een begroeiing met een hoge energiedichtheid en een goed maaigebruik kan worden verkregen. Het is bovendien belangrijk dat er zich geen grasbestand ontwikkeld waar bovengras de boventoon voert. Dit wordt snel energiearm en is niet geschikt voor het voeren van hoogprestatiedieren. Bovengrassen zijn polvormende grassen zoals knokkelgras, havergras, weidegras en weidevossestaart. Ze beschikken over veel bloemstengels en ze zijn rijk aan ruwe celstof. Stikstof bevordert hun voorkomen. Ze leveren veel voermassa op, maar hebben de neiging om houtachtig te worden. Deze grasbestanden zijn daarom geschikter voor de hooiwinning. Veldbeemdgras, goudhaver en rood zwenkgras behoren tot de zogenaamde ondergrassen. Ze beschikken over veel zijscheuten en een hoog bladaandeel en zorgen zo voor een dichte grasmat. Hun groei is veeleer laag en breed.

Wanneer vinden de andere maaibeurten plaats?

Al met al kan worden vastgesteld dat de basis voor een hoge kwaliteit van alle maaibeurten wordt bepaald door een vroege eerste keer maaien. Ongeacht of het maaien plaatsvindt met een 2- of 4-snede-gebruik: Het is steeds van belang om het juiste maaimoment te vinden. Hoe langer er wordt gewacht, hoe hoger het aandeel ruwe celstof wordt terwijl de energie afneemt. Het hangt er altijd vanaf, welke leidgrassen er aanwezig zijn en hoe het gesteld is met het aandeel peulgewassen. De witte klaver bereikt bijvoorbeeld ongeveer medio juni zijn optimum. Dit komt dus pas bij de tweede keer maaien tot zijn recht.

Hoe is het maaimoment van invloed op de kwaliteit van het voer?

De melkcapaciteit van de koe is afhankelijk van de energie en de voedingsstoffen in het basisvoer.

Dat wil zeggen: Hoe meer voedingsstoffen en hoe meer energie alsook een hoge verteerbaarheid er in het voer aanwezig is, hoe hoger de melkopbrengst kan zijn.

Het maaimoment moet in het kader van veeteelt goed doordacht zijn.
Hoe meer voedingsstoffen en hoe meer energie alsook een hoge verteerbaarheid er in het voer aanwezig is, hoe hoger de melkopbrengst kan zijn.

Dit toont aan dat het maaimoment in het kader van veeteelt weloverwogen moet zijn. Het vezelgehalte van de eerste groei neemt snel toe. Hierdoor neemt tevens de verteerbaarheid af. Het aanbevolen gehalte aan ruwe celstof (240 g ruwe celstof (Rf) per kg droge stof (DS)) wordt voor het opkomen van aren/pluimen van het leidgras behaald. Dat is ongeveer 20 procent, wat door het bewaren in balen met nog eens 2 procent toeneemt.

Als het aanbevolen gehalte aan ruwe celstof met ong. 30 procent wordt overschreden, dan eten de dieren het voer niet meer graag. Dat is met name in de weide waar te nemen. De concentratie ruwe celstof is echter ook bij zeer vroeg maaien voldoende. Maai om die reden liever te vroeg dan te laat. Later maaien is vanwege het hoge gehalte aan ruwe celstof, eerder geschikt voor de paardenfokkerij.

Als het Rf-gehalte in de droge stof toeneemt, dan daalt het gehalte aan ruwe proteïne met 4,1 g per kg DS en de energie-inhoud met 0,1 MJ NEL/kg DS. In het verdere verloop wordt het samendrukken van het silage steeds moeilijker en stijgt de pH-waarde. Hiermee daalt de bewaringscapaciteit in sterke mate. Dit kan in het begin nog met silageadditieven worden tegengegaan. Bij de G-1 F125 Kombi en de LT-Master kan optioneel achteraf een doseerinrichting worden ingebouwd.

Bij onze G-1 F125 Kombi en de LT-Master kan optioneel een doseerinrichting worden opgebouwd.

De hoogte van de krachtvoerkosten is ook een belangrijk criterium, om bij een zo hoog mogelijke energieconcentratie zo vroeg mogelijk te maaien. Zeer jonge graslandgroei vertoont vaak een energiegehalte van maximaal 7,5 MJ NEL per kg droge stof. Het maaien in dit zeer jonge stadium is al lonend bij silage in ronde balen. De reden hiervoor is de mogelijkheid om uit kleine hoeveelheden ronde balen te persen. Bij het inkuilen voor hoogprestatiedieren is het in ieder geval belangrijk om een energieconcentratie van ong. 6,5 MJ NEL/kg DS te hebben.

Conclusie

Hoe men het ook draait of keert, het juiste maaimoment is doorslaggevend voor de kwaliteit van het voer. Het helpt ons om hoogwaardige, optimaal samengedrukte ronde balen te verkrijgen en de werkprocessen eenvoudig te houden. Bovendien worden krachtvoerkosten en andere aankopen uitgespaard. Voor alle keren maaien moeten de grasbestanden in hun samenstelling en beheer zorgvuldig worden geobserveerd en gecategoriseerd worden. Sommige landbouworganisaties bieden hier analyses voor aan die prognoses opleveren en de besluitvorming ondersteunen.

 

Wilt u de perfecte machine voor het optimale maaien?

Contacteer ons!

In welke onderwerpen zou u verder nog geïnteresseerd zijn?

Stuur uw voorstellen per e-mail naar marketing@goeweil.com

 

FacebookYoutubeInstagram Nu contact opnemen